|
Fragment
Fragment
uit De enige gast, Een ontdekkingsreis door Duitsland
In alle vroegte wachtte ik bij bushalte An der Casselsruhe op lijn
620, die me zigzaggend door die Bonnse agglomeratie naar het station
zou brengen.
De bus reed dwars door Poppelsdorf, een vastgegroeide voorstad,
die vooral bestond uit een levendige straat met bussen en zebrapaden,
winkelende oudjes en volwassen studenten, goedkope supermarkten
en Griekse restaurants en een bloemenkiosk en cafeetjes. Ik dacht:
hier moet ik vanavond heen, hier is het te doen.
De bus passeerde een universiteitsgebouw en de botanische tuin,
daarna het Poppelsdorfse Heimatmuseum. Het centrum van Bonn was
als het centrum van een middelgroot dorp, een paar stoplichten en
hops, je was waar je wezen wilde, er waren geen opstoppingen, er
was geen geschreeuw en gedoe, geen opbrekingen zoals in een echte
stad.
Onder het station kon ik metrolijn 63 of 66 of 67 nemen, en uitstappen
bij halte Heussallee/Museumsmeile. Zo geschiedde, met lijn 67 althans,
en nog ondergronds verschafte ik me toegang tot het Huis der geschiedenis
van de Bondsrepubliek Duitsland.
Ogenblikkelijk stond ik oog in oog met een treincoupé, preciezer:
'Salonwagen 10205'. Die was van Konrad Adenauer geweest, vertelde
het verhaaltje erbij, en ingericht met een werkruimte en kantoor,
een slaapkamer, keuken en douche, en een vergaderzaaltje. In 1955
was Adenauer de Duitse krijgsgevangenen los gaan praten in Moskou,
een daad waarover oudere Duitsers niet uitgepraat raakten. Dat had
hij gedaan per deze trein. Alle kanseliers na hem hadden die salonwagon
gebruikt, tot de eenwording. In 1990 was hij buiten dienst gesteld.
Dat treinstel bleek eerder te zijn gebouwd, dat zag ik op de zijkant,
en dat zocht ik even later na in een boekje in de museumbibliotheek.
Het ding bleek in opdracht van Hermann Göring te zijn gebouwd,
in 1935.
In dit witte museum aan de Willy-Brandt-Allee was de Duitse geschiedenis
sedert 1945 in relikwieën gebalsemd en opgebaard. Alles wat
ik gedurende mijn reis had gezien, kwam er zowat in voor. Van Tatort
tot Stalinstadt, van de volksopstand op 17 juni 1953 in de DDR tot
het besluit van de Bondsdag, op 4 augustus daarna, om die dag de
Dag der Duitse eenheid te maken, van het wonder van Bern in 1954
tot de voetbalfinale in 1974 tegen Nederland, van Rote Armee Fraktion,
waarvan de moordenaars vanaf 1980 in de DDR mochten onderduiken,
tot het succes van F6-sigaretten.
Het was een jong museum, en voor jongeren. Een tiental schoolklassen
hopste door het gebouw, met kinderen van vijftien tot achttien,
dus wat ik per klas zag: twee verveeld-ruige pubers, een slimmerik
die elders loerde, twee meisjes die seks interessanter vonden dan
geschiedenis, een punkertje en diens fellow-travellertje.
De geschiedenis werd verteld aan de hand van anekdotes, verhalen
en vooral veel spullen. Vaandels en auto's, televisies en radio's,
insignes en uniformen, reclameborden en foto's, jurken en soepblikken.
En door filmposters.
Twee films van Konrad Wolf, door zijn broer, topspion Markus genegenheidshalve
Koni genoemd, bleken in 1959 en 1967 in de DDR te zijn verboden,
voordat ze verschenen. Hoewel film maken gebeurde in staatsopdracht
had partijleider Walter Ulbricht er geen probleem van gemaakt hoogstpersoonlijk
Sonnensucher te verbieden, een film over de sovjetexploitatie
van uraniummijnen in het zuiden van de DDR.
In 1967 verbood Ulbricht Ich war 19, een film die onder
andere de verkrachtingen van Duitse vrouwen door het Rode Leger
als onderwerp had. Sovjets en fouten, dat ging in de DDR niet samen.
De verantwoordelijkheid voor die verboden was niet van Markus Wolf
geweest maar diens ministerie van Staatsveiligheid zag terdege toe
op de uitvoering ervan. In Markus Wolfs boek werden die verboden
tussen haakjes afgedaan, zonder nadruk. Daardoor dacht de lezer
dat broer Koni een halfgare was, een dissident. Deze tentoonstelling
bewees iets anders. Vader Wolf was de bekende schrijver, en dat
het ministerie van de ene zoon het verbod op de films van de andere
zoon diende te handhaven, werd uitgebreid verteld, waardoor dat
boek van Markus Wolf uiteindelijk potsierlijk bleek.
’s Avonds op de Venusberg zocht ik het na, wat had Markus
geschreven? Toen zijn broertje in 1982 aan kanker stierf, wilde
Markus de laatste film van zijn broer afmaken. Daar kwam hij verder
niet op terug in dat boek, eerst ging-ie even met pensioen, later
van zijn vrouw scheiden, toen sloeg-ie op de vlucht en dook hij
onder – uiteraard had hij die film nooit afgemaakt. Dat kon
nog wel bij die lamentabele zelfrechtvaardiging die dat boek was:
een familiair gotspe, trappen tegen een lijk.
Ik had een volle dag in dat museum doorgebracht, bekaf dook ik in
bed.
De dag daarna ging ik opnieuw, bus 620, metro 66. Ik had de helft
van de exposities gemist, en wilde in de bibliotheek video's zien
en een boek bekijken.
Rond de middag maakte ik een praatje met de suppoost van de afdeling
1945-1949 nadat hij me de werking van een videospeler had uitgelegd
('Knop indrukken, alstublieft'). Hij was arbeidsongeschikt geraakt,
want blind aan een oog geworden maar dat deerde hem nauwelijks.
Vroeger, voor de eenwording, was hij bewaker geweest bij het ministerie
van Buitenlandse Zaken, nu stond hij hier: 'Veel gezelliger. Niet
zo streng en je spreekt nog eens iemand.' Ik vertelde hem over mijn
reis – reeds ter hoogte van Prieros stelde hij een vraag:
'Hoelang bent u onderweg?'
'Drie maanden.'
'Uw Duits is zo goed, u heeft op school Duits geleerd?'
'Nee en nee', zei ik, niet vals bescheiden, realistisch. 'Toen ik
vertrok sprak ik uw taal niet, nu kan ik me verstaanbaar maken.'
'Vloeiend.'
Dat vond ik een schitterend compliment. Ik had het zelf niet gemerkt,
maar doordat ik een paar dagen tegen niemand had gesproken, was
het kwartje gevallen. Ik sprak Duits. 'Dank u.'
'Drie maanden', zei de suppoost 1945-1949 peinzend. 'Dan heeft u
veel van Duitsland gezien.' 'Ach,' zei ik, 'dat valt mee.' Dat zei
ik omdat de mensen, als ik zei genoeg gezien te hebben, zeiden:
'Ga nog naar X' of: 'Y mag u niet missen.' Maar mijn tijd was om,
mijn geld was op. Mij restte één stop, dan moest ik
naar huis. Ik wilde voorkomen dat deze suppoost me op een lacune
zou wijzen.
'Dan heeft u veel geleerd over ons land.'
'Ja zeker.'
'Weet u dan hoe het kan zijn gebeurd, met Adolf?'
'Noem de oorlog niet', dat Britse gebbetje droeg een diepere waarheid
in zich dan de bedenker ervan ooit kon hebben bevroed. Je hoefde
de oorlog helemaal niet te noemen. Dat deden de Duitsers zelf wel
- immer en spontaan. Niet-aflatend, altijd, nog een keer, hopeloos
op zoek naar de uitkomst, op zoek naar een verklaring, een vermoeden,
naar zelfs maar het vaagste idee. Het zou de Duitsers verlossing
schenken de oplossing te kennen, zodat ze hun fout niet nog een
keer kunnen begaan. Ze zijn als de dood een geheime knop te bezitten
die een leider kan indrukken, waarna ze tezamen ten strijde trekken,
aan het moorden slaan en vervolgens in de pan worden gehakt.
Nieuw was mijn ontdekking niet. Ryszard Kapuscinski had in Lapidarium,
ten tijde van zijn jaar in Berlijn, 1994, vastgesteld: 'Alle discussies
eindigden, altijd, met de vraag, hoe het zover kon komen (zo ver,
dat wil zeggen: tot het nazisme, tot Hitler). Er was geen antwoord.
De jongeren stelden steeds vragen, wilden het weten, vielen aan,
de ouderen hulden zich in een steeds dieper zwijgen.'
In de metro en de bus terug naar de Venusberg schreef ik in mijn
boekje: 'Bonn was geen Berlijn, zoals Berlijn geen Weimar was en
Weimar geen Berlijn was. Die cirkel was rond, zou je kunnen zeggen,
maar voor de Duitsers was de cirkel bepaald niet rond. Hun ontbrak
een schakel. De Duitse geschiedenis hing aaneen van losse flodders
en incidenten, en zoals dat gaat met geschiedenis, de details hadden
haar bepaald. Aan details kon een lot als het hunne toch niet zijn
verbonden - daar zou toch hopelijk meer voor nodig zijn geweest?'
|