Website Uitgeverij De Geus


   Over het boek

   Auteur

   Titels

   Fragment

   Lezersrecensies

   Pers

   Nieuws



Fragment

Fragment uit Witboi, Hoe de West werd verloren

Benzdorp is in Paramaribo een bijna mythische plaats, een plaats die het wilde Westen wordt genoemd, maar dan met goudzoekers in plaats van cowboys en met ATV's in plaats van paarden. ATV's zijn all terrain vehicles, vierwielmotors.
Benzdorp staat voor bier, hoeren en vooral voor goud. Want de enige valuta in Benzdorp, zo gaat het verhaal, is goud. Benzdorp ligt aan de rivier Lawa, zoals de Marowijne zuidwaarts heet, aan de grens met Frans-Guyana, richting Brazilië. De route naar Benzdorp is alleen struinend, vliegend of varend af te leggen. Wegen zijn er niet.
Het leven van de Benzdorpenaars is ruw en uitputtend, vertelt mijn neef. De goudzoekers komen zonder uitzondering uit Brazilië om bij een zogeheten concessiehouder in het oerwoud te gaan werken. Concessiehouders zijn bedrijven die van de Surinaamse overheid een vergunning hebben gekocht om in het oerwoud te graven, spitten en delven. De goudzoekers staan tot hun middel in de roodgele modderdrab, en werken tegen vinderspercentages. Normale vrouwen zijn er niet in Benzdorp, `alleen kokkinnen', zegt mijn neef, vrouwen die horizontaal bijbeunen. Daar heb ik wel oren naar: een moderne versie van het wilde Westen met een sambasekssaus erover.

In alle Paramaribose vroegte rij ik op zaterdagochtend naar het tweede vliegveld van Suriname, Zorg en Hoop. Dat ligt min of meer in het centrum van de stad. De Surinaamse vliegtuigmaatschappij Gumair verzorgt daarvandaan twee handenvol binnenlandse vluchten per dag. Een ticket wordt niet uitgereikt. Wel moet ik samen met mijn leren Franse tas op een grote weegschaal gaan staan, worden we gewogen en betaal ik 3,20 Surinaamse dollar – iets meer dan een euro – per kilo. Daarna wordt mijn naam in een grootboek genoteerd.
In een Twin Otter, aangezien je het alleen ziet in onherbergzame gebieden wellicht het betrouwbaarste twintigzitsvliegtuig ter wereld, vliegen we in anderhalf uur, met honderdveertig knopen per uur, naar Lawa Tabiki. Datzelfde Lawa-eiland dat een paar maanden later met een door overvloedig regenwater in gang gezette overstroming te maken krijgt, een gebeurtenis die tot ramp wordt uitgeroepen. Deze ochtend staat de Lawa laag, en dat is ook niet goed omdat laagwater dieper liggende boten hindert. Van Lawa-eiland varen we in een paar minuten per korjaal de rivier over. Dat kost dertig Surinaamse dollar per persoon. Een korjaal is niet veel meer dan een uitgeholde boomstam met een buitenboordmotor. De idioot hoge veerpontprijs wordt verklaard doordat benzine via de Marowijne zuidwaarts moet worden gebracht in korjalen, altijd maar zeker in het droge seizoen een kostbare klus.

Aan de Benzdorpse kant worden we opgehaald door Gio, een vriend van mijn neef. Mijn neef stelt ons aan elkaar voor: `Gio is een bosneger met een winkel. Mijn neef is handelaar in de waarheid.' Een familietrek; we zijn gek op goed verpakte duidelijkheid. Gio rijdt een vierwiel aangedreven terreinmotor en blijkt een goedgemutste lachebek. Ook voor mijn neef en mij heeft Gio een terreinmotor meegebracht, voor de gelegenheid eentje zonder remmen. Mijn neef staat bekend als een goed coureur, zegt Gio, dus daarom houdt Gio zelf met een gerust hart de motor met remmen. Zo scheuren we over een hobbelig pad, althans pad, meer dan een uitsparing in het oerwoud is het eigenlijk niet, het enige verschil met het oerwoud is dat er op dit pad geen bomen groeien. We rijden door beddingen, door kuilen, holen en gaten en over provisorische bruggetjes – die laatste niet meer dan een gehalveerde boom, of twee.
Na een halfuurtje arriveren we in Benzdorp-Noord, zoals Gio toelicht. Dat is de plaats die in Paramaribo zo veelbesproken is; ik zie echter geen van kapmessen voorziene, woeste legioenen Brazilianen in mijn richting snellen.
Wat ik zie: de huisjes in Benzdorp zijn van hout – hetgeen in Suriname niet raar is. Het zijn simpele kotten volgens het model van een peutertekening, waarvan de planken met kettingzagen uit boomstammen zijn gesneden. `Die zijn ze allemaal gaan zagen met kettingzagen, niet in een houtzagerij, hoor,' zegt mijn neef, `met de hand. Ongelooflijk veel werk.' Maar klaarblijkelijk goedkoper dan de houtzagerij op honderden kilometers gaans het werk laten doen. De huisjes staan aan straatjes die weliswaar geëffend zijn, maar waar open greppels dwars doorheen lopen, waar elke passerende vierwielmotor een stofwolk opwerpt, waar vanzelfsprekend geen verkeersborden zijn, en links of rechts rijden maakt ook niks uit. Er is geen hoogbouw, de hoogste constructies zijn de plastic watertonnen die naast de horecagelegenheden staan. Die tonnen zorgen te Benzdorp voor het stromende water.
De gemiddelde Benzdorper heeft elektriciteit noch stromend water in zijn houten huisje. Het meubilair bestaat uit een getimmerd bed of hangmat, en een plastic tuinstoeltje, zo een waarvan de poten waggelen als je opzij leunt. Zodoende zijn de goudzoekers voor hun eten, drinken, was, douche en vertier op de tientallen lokale cafeetjes aangewezen. Daar gaat een en ander hand in hand, zoals ik later zal zien. Maar Benzdorp is 's ochtends kalm en vredig. Gio, mijn neef en ik gaan zitten. Gio steekt een Morello op, een sigaret van Trinidad die in Suriname erg populair is. Mijn neef wisselt een vuistvol Amerikaanse dollars voor goudkorrels, veertien dollar voor een gram. `Je gaat zonder goud nergens kunnen betalen', zegt Gio. Het goud wordt gewogen op een digitaal weegschaaltje. `De kassa', zegt Gio. Mijn neef krijgt zijn goud mee in een piepklein puntzakje, gevouwen van krant, en geeft het meteen door aan mij: `Neef,' zegt hij, `jij beheert de kas.' Ik sta erbij als een schooljongen met zijn nieuwe voetbal.